Page 17 - Inspectierapport Konijn & Ko 12-11-2025
P. 17
Indien de inzet van het aantal in te zetten beroepskrachten als bedoeld in art 16 lid 2 Besluit
kwaliteit kinderopvang ertoe leidt dat in het kindercentrum slechts één beroepskracht aanwezig is,
is tevens een volwassene beschikbaar die telefonisch bereikbaar is en die binnen vijftien minuten in
het kindercentrum aanwezig kan zijn in geval van een calamiteit.
De houder van een kindercentrum informeert de bij het kindercentrum werkzame personen over de
naam en het telefoonnummer van deze persoon.
(art 1.49 lid 1, 1.50 lid 1 en 2 en 1.60c lid 1 Wet kinderopvang; art 16 lid 5 Besluit kwaliteit kinderopvang)
Indien de afwijkende inzet van het aantal beroepskrachten, als bedoeld in artikel 16 lid 4 Besluit
kwaliteit kinderopvang, ertoe leidt dat slechts één beroepskracht op het kindercentrum wordt
ingezet, is ter ondersteuning van deze beroepskracht ten minste één andere volwassene in het
kindercentrum aanwezig.
(art 1.49 lid 1, 1.50 lid 1 en 2 en 1.60c lid 1 Wet kinderopvang; art 16 lid 6 Besluit kwaliteit kinderopvang)
Inzet pedagogisch beleidsmedewerkers
De houder van het kindercentrum zet de pedagogisch beleidsmedewerker voor het coachen van
beroepskrachten bij de uitvoering van hun werkzaamheden en de totstandkoming en
implementatie van pedagogische beleidsvoornemens voor het vereiste aantal uren in. Het minimaal
aantal uren inzet wordt jaarlijks bepaald op grond van de rekenregels in het besluit.
(art 1.50 lid 1 en 2 en 1.60c lid 1 Wet kinderopvang; art 17 lid 1 en 2 Besluit kwaliteit kinderopvang)
De houder van een kindercentrum bepaalt jaarlijks, indien hij meer dan één kindercentrum
exploiteert, de wijze waarop hij het verplichte minimaal aantal uren waarvoor pedagogisch
beleidsmedewerkers worden ingezet, verdeelt over de verschillende kindercentra en legt dit
schriftelijk vast zodat dit inzichtelijk is voor de beroepskrachten en ouders. De houder geeft de
verdeling zodanig vorm dat iedere beroepskracht jaarlijks coaching ontvangt in de uitvoering van
de werkzaamheden.
(art 1.50 lid 1 en 2 en 1.60c lid 1 Wet kinderopvang; art 17 lid 3 Besluit kwaliteit kinderopvang)
Stabiliteit van de opvang voor kinderen
Bij buitenschoolse opvang vindt de opvang plaats in basisgroepen. Een kind wordt opgevangen in
één basisgroep. Gedurende schoolvrije dagen kan kindercentrum-overstijgende opvang op een
voorziening voor buitenschoolse opvang plaatsvinden.
De maximale grootte van de basisgroep is 30 kinderen.
(art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 18 lid 1, 2, 3, 4, 6 en 7 Besluit kwaliteit kinderopvang)
Aan ieder kind wordt een mentor toegewezen. De mentor is een beroepskracht van het kind en
bespreekt, indien wenselijk, de ontwikkeling van het kind met de ouders. Tevens is de mentor voor
de ouders en het kind aanspreekpunt bij vragen over de ontwikkeling en het welbevinden van het
kind.
(art 1.50 lid 1 en 2 en 1.60c lid 1 Wet kinderopvang; art 18 lid 5 Besluit kwaliteit kinderopvang)
17 van 24
Definitief inspectierapport buitenschoolse opvang jaarlijks onderzoek 13-11-2025
Konijn & Ko 8+ BSO te Lochem

