Page 16 - Inspectierapport Konijn & Ko 12-11-2025
P. 16

f. de personen van 18 jaar en ouder die op het woonadres waar een kindercentrum is gevestigd
hun hoofdverblijf hebben of zullen hebben dan wel die structureel tijdens opvanguren aanwezig zijn
of zullen zijn op het kindercentrum, gevestigd op een woonadres.

Voor zover het natuurlijke personen betreft is eenieder als bedoeld in de onderdelen a tot en met f
ingeschreven in het personenregister kinderopvang en gekoppeld aan de houder.
(art 1.50 lid 3 en 1.48d lid 3 Wet kinderopvang)

Na inschrijving van een persoon als bedoeld in artikel 1.50 derde lid van de wet in het
personenregister kinderopvang en na koppeling met de houder van een kindercentrum kan de
persoon zijn werkzaamheden aanvangen.
(art 1.48d lid 3 en 1.50 lid 4 Wet kinderopvang)

Opleidingseisen

Beroepskrachten en andersgekwalificeerde beroepskrachten beschikken over een passende
opleiding zoals opgenomen in de meest recent aangevangen cao Kinderopvang.
(art 1.50 lid 1 en 2 en 1.60c lid 2 Wet kinderopvang; art 15 lid 1, 2 en 19a Besluit kwaliteit kinderopvang; art
9a lid 1 en 3 Regeling Wet kinderopvang)

Pedagogisch beleidsmedewerkers beschikken over een voor de werkzaamheden passende opleiding
zoals opgenomen in de meest recent aangevangen cao Kinderopvang.
(art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 15 lid 3 en 4 Besluit kwaliteit kinderopvang; art 9a lid 2 Regeling
Wet kinderopvang)

De houder van een kindercentrum beschikt over een kopie van een bewijsstuk waaruit blijkt dat
een Nederlandssprekende beroepskracht voldoet aan de taaleis IKK.
(art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 15 lid 1, 2 en 19a Besluit kwaliteit kinderopvang; art 9a lid 4
Regeling Wet kinderopvang)

Aantal beroepskrachten en eisen aan de inzet van beroepskrachten in opleiding,
andersgekwalificeerde beroepskrachten en stagiairs

De houder van een kindercentrum zet voldoende beroepskrachten in voor het aantal kinderen dat
wordt opgevangen. De verhouding tussen het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten en het
aantal aanwezige kinderen op het kindercentrum wordt bepaald op grond van de rekenregels bij
het besluit.
Gedurende de buitenschoolse opvang bestaat maximaal de helft van het totaal aantal benodigde
beroepskrachten uit beroepskrachten in opleiding, stagiairs of andersgekwalificeerde
beroepskrachten. Daarbij mag maximaal een derde van het totaal aantal benodigde
beroepskrachten bestaan uit stagiairs of andersgekwalificeerde beroepskrachten.
(art 1.49 lid 1, 1.50 lid 1 en 2 en 1.60c lid 1 Wet kinderopvang; art 16 lid 1, 2, 3, 4, 8 en bijlage 1 onderdeel b
en c Besluit kwaliteit kinderopvang; art 9c lid 3, 4 en 5 Regeling Wet kinderopvang)

De houder toont door middel van een overzicht van de ingezette beroepskrachten en
presentielijsten van kinderen, inclusief een indicatie van de aankomst- en vertrektijden, aan dat hij
voldoet aan de benodigde beroepskracht-kindratio en indien van toepassing de afwijking daarvan
op vrije dagen en bij schoolvakanties.
(art 1.49 lid 1 en 1.50 lid 1 en 2 en 1.60c lid 1 Wet kinderopvang; art 16a en 16 lid 2 en 4 Besluit kwaliteit
kinderopvang)

                                                                                  16 van 24

Definitief inspectierapport buitenschoolse opvang jaarlijks onderzoek 13-11-2025
Konijn & Ko 8+ BSO te Lochem
   11   12   13   14   15   16   17   18   19   20   21