Page 16 - Inspectierapport Konijn & Ko 12-11-2025
P. 16
Aantal beroepskrachten en eisen aan de inzet van beroepskrachten in opleiding en stagiairs
De houder van een kindercentrum zet voldoende beroepskrachten in voor het aantal kinderen dat
wordt opgevangen. De verhouding tussen het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten en het
aantal aanwezige kinderen in een stamgroep wordt bepaald op grond van de rekenregels. Indien
een stamgroep wordt gecombineerd met een basisgroep, wordt de verhouding tussen het minimaal
aantal in te zetten beroepskrachten en het aantal aanwezige kinderen in de gecombineerde groep
bepaald op grond van de rekenregels.
Gedurende de dagopvang bestaat maximaal de helft van het totaal aantal benodigde
beroepskrachten uit beroepskrachten in opleiding of stagiairs. Daarbij mag maximaal een derde
van het totaal aantal benodigde beroepskrachten bestaan uit stagiairs.
(art 1.49 lid 1, 1.50 lid 1 en 2 en 1.60c lid 1 Wet kinderopvang; art 7 lid 1, 2, 3, 4, 7, 9, 11 en bijlage 1
onderdeel a en c Besluit kwaliteit kinderopvang; art 9 lid 3, 4 en 5 Regeling Wet kinderopvang)
De houder toont door middel van een overzicht van de ingezette beroepskrachten en
presentielijsten van kinderen, inclusief een indicatie van de aankomst- en vertrektijden, aan dat hij
voldoet aan de benodigde beroepskracht-kindratio en indien van toepassing de afwijking daarvan.
(art 1.49 lid 1 en 1.50 lid 1 en 2 en 1.60c lid 1 Wet kinderopvang; art 7a en 7 lid 2 en 4 Besluit kwaliteit
kinderopvang)
Stabiliteit van de opvang voor kinderen
Bij dagopvang vindt de opvang plaats in stamgroepen. Een kind wordt opgevangen in één
stamgroep. De maximale groepsgrootte wordt bepaald op grond van tabel 1 in bijlage 1, onderdeel
a van het Besluit kwaliteit kinderopvang.
Indien een stamgroep wordt gecombineerd met een basisgroep wordt de maximale grootte van de
gecombineerde groep bepaald op grond van bijlage 1, onderdeel c van het Besluit kwaliteit
kinderopvang.
(art 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 9 lid 1, 2, 7, 8, 9 en 10 Besluit kwaliteit kinderopvang)
De houder van een kindercentrum deelt de ouders en het kind mee tot welke stamgroep het kind
behoort en welke beroepskracht dan wel beroepskrachten op welke dag aan de desbetreffende
stamgroep zijn toegewezen.
(art 1.50 lid 1 en 2 en 1.60c lid 1 Wet kinderopvang; art 9 lid 3 Besluit kwaliteit kinderopvang)
Aan een kind van één jaar of ouder worden ten hoogste drie vaste beroepskrachten toegewezen,
waarvan per dag ten minste één beroepskracht werkzaam is in de stamgroep van dat kind, tenzij
de houder hiervan onder de voorwaarden van het Besluit kwaliteit kinderopvang artikel 9a
rechtmatig is afgeweken.
Indien er vanwege de grootte van de stamgroep met drie of meer beroepskrachten tegelijkertijd
gewerkt wordt dan worden er ten hoogste vier vaste beroepskrachten toegewezen aan een kind
van één jaar of ouder.
Een binnen de formatie ingezette beroepskracht in opleiding kan na het eerste jaar van de
opleiding op basis van een vastgesteld begeleidingsplan gelden als vaste kracht.
(art 1.50 lid 1 en 2 en 1.60c lid 2 Wet kinderopvang; art 9 lid 5, 9a, 9b en 19a Besluit kwaliteit kinderopvang)
Aan ieder kind wordt een mentor toegewezen. De mentor is een beroepskracht van het kind en
bespreekt de ontwikkeling van het kind periodiek met de ouders. Tevens is de mentor voor de
ouders aanspreekpunt bij vragen over de ontwikkeling en het welbevinden van het kind.
(art 1.50 lid 1 en 2 en 1.60c lid 1 Wet Kinderopvang; art 9 lid 11 Besluit kwaliteit kinderopvang)
16 van 20
Definitief inspectierapport dagopvang jaarlijks onderzoek 03-11-2025
Peuteropvang Konijn & Ko te Lochem

